Het eerste jaar met de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht: wat valt op?

| NL Law

| Leestijd: 11 minuten
Dispute Resolution & 
Litigation

Op 1 januari 2025 trad de wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking. Nu het eerste jaar voorbij is, is het goed om eens te kijken welke opvallende ontwikkelingen zichtbaar zijn. Een doorzoeking van de uitspraken die zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl, met als zoekterm: “Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht”, levert 127 resultaten op over 2025.[1] Dat betekent echter niet dat in al die zaken ook daadwerkelijk de bepalingen van de nieuwe wet van toepassing waren. In deze bijdrage wordt ingegaan op de diverse ontwikkelingen die mij zijn opgevallen, waarbij deze bijdrage eerder al op LinkedIn als artikel is gedeeld.

Overgangsrecht

Hoewel in de literatuur veel aandacht werd besteed aan de wijzigingen die per 1 januari 2025 zouden intreden, leek niet iedereen daarvan op de hoogte. In een aantal zaken werd toch nog het oude artikel 843a Rv ten grondslag gelegd aan de vordering tot verstrekking van informatie.[2] Rechters leken daar niet te veel moeite mee te hebben en overwogen langs de lijn:

“De rechtbank stelt voorop dat door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht artikel 843a Rv per 1 januari 2025 is vervallen. Deze procedure is gestart na 1 januari 2025. Dit betekent dat de rechtbank de incidentele vordering van [partij B] zal beoordelen aan de hand van artikel 195 Rv.”

Waar in de praktijk meer onduidelijkheid over lijkt te bestaan, is de toepassing van artikel 200 Rv. In dat artikel is bepaald dat voor beslissingen op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden hoger beroep kan worden ingesteld binnen vier weken, te rekenen van de dag van de uitspraak (het eerste lid). Voor andere verzoeken om een of meer voorlopige bewijsverrichtingen, geldt dat er geen hogere voorziening openstaat, tenzij de rechter anders bepaalt. Ook in dat geval bedraagt de beroepstermijn vier weken.

Het tweede lid van artikel 200 Rv speelde in vijf zaken een rol.[3] In vier van die vijf zaken werd geoordeeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was. In alle gevallen was daarbij de redenering (impliciet of expliciet) dat het instellen van beroep een nieuwe procedure in een nieuwe instantie oplevert. Dat is in lijn met hetgeen over het overgangsrecht is geregeld in de memorie van toelichting[4], zoals ook door het Hof Arnhem-Leeuwarden is overwogen:[5]

“Het overgangsrecht is geregeld in artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Daarin staat het volgende:

“Ten aanzien van de verdere behandeling door een rechtbank, een gerechtshof of de Hoge Raad van zaken die op de datum van inwerkingtreding van deze wet met een dagvaarding aanhangig zijn dan wel met een verzoekschrift zijn ingediend, blijft het recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.”

Het overgangsrecht is in de loop van het wetgevingsproces geformuleerd. In de nota van wijziging is over de toevoeging van artikel XIIA de volgende toelichting opgenomen:

“Op grond van deze bepaling gelden de artikelen van dit wetsvoorstel uitsluitend voor procedures die op of na de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bij de rechter aanhangig worden gemaakt. Het procesrecht zoals dat geldt vóór de inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op alle bij de verschillende gerechten aanhangig gemaakte dagvaardingzaken dan wel ingediende verzoekschriften totdat de procedure in die instantie is beëindigd. Als de rechter op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet uitspraak doet, is op een eventuele volgende instantie na het instellen van een rechtsmiddel tegen die uitspraak het nieuwe recht van toepassing.”

In haar uitspraak van 10 november 2025 overwoog hetzelfde hof[6] evenwel dat het hoger beroep tegen een afwijzende beslissing van 7 november 2024 van de rechter-commissaris tot het horen van twee aanvullende getuigen (waartegen op 21 januari 2025 beroep is ingesteld), wel ontvankelijk was. Daartoe overwoog zij als volgt[7]:

“Uitgangspunt is dat de nieuwe wettelijke regeling geldt met ingang van 1 januari 2025. Artikel XIIA bepaalt dat op die regel (slechts) één uitzondering geldt voor, kort gezegd, de verdere behandeling door de instantie waar op 1 januari 2025 nog een ‘oud’ verzoek van toepassing was. Zoals Procureur-Generaal De Bock in haar conclusie van 12 september 2025 heeft vastgesteld is in dit artikel noch in de toelichting daarop in de nota van wijziging, geregeld wat er geldt ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een beslissing die voor de datum van inwerkingtreding van de wet tot stand is gekomen. Volgens de Procureur-Generaal moet daarom worden aangesloten bij de algemene uitgangspunten van de Overgangswet Nieuw BW (artikel 74). Daaruit volgt dat voor de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen en de modaliteiten hoe dat moet gebeuren en binnen welke termijn, het oude procesrecht blijft gelden”

De conclusie van Procureur-Generaal De Bock werd echter gewezen in het kader van een inzageverzoek (dat in feitelijke instanties was gestoeld op artikel 843a Rv).[8] Daarop is aldus lid 1 van artikel 200 Rv van toepassing. Verder lijkt De Bock in haar conclusie voornamelijk in te gaan op de bijzonderheden die een cassatieprocedure met zich meebrengen, die rechtvaardigen dat – anders dan in de memorie van toelichting en nota van wijziging is opgenomen – in cassatie moet worden getoetst aan hetzelfde recht dat van toepassing was in de laatste feitelijke instantie. Wellicht dat het Hof Arnhem-Leeuwarden beter het voorbeeld van het Hof ’s-Hertogenbosch in haar uitspraak van 25 september 2025 had kunnen volgen[9], door te overwegen prejudiciële vragen te stellen of de zaak aan te houden tot de Hoge Raad haar arrest zou wijzen over het overgangsrecht. Dat arrest heeft de Hoge Raad op 6 februari 2026 gewezen, waarbij hij heeft geoordeeld dat – in lijn met de conclusie van de Procureur-Generaal – voor de beroepsmogelijkheden en termijnen moet worden gekeken naar het algemene overgangsrecht, hetgeen met zich meebrengt dat dergelijke termijnen gelden zoals die in de eerdere instantie golden.

Wat betreft het overgangsrecht is er nog het nodige te verwachten in 2026, zeker nu er vaker beslist zal worden op verzoeken ter zake voorlopige bewijsverrichtingen.

Partijgetuigenverklaring

Met de inwerkingtreding van de nieuwe wet, is de beperkte bewijskracht van een partijgetuigenverklaring afgeschaft. Aan een partijgetuigenverklaring komt, net als de meeste andere bewijsmiddelen, vrije bewijskracht toe. In een zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland hier expliciet aandacht besteed.[10] De verwachting is dat in 2026 hier vaker aandacht aan zal worden besteed. De meeste zaken waar in 2025 getuigenverhoren hebben plaatsgevonden en vervolgens vonnissen zijn gewezen, werden immers – vanwege de gebruikelijke doorlooptijden bij de rechtbank – ingeleid voor 1 januari 2025 en dus voor de wetswijziging.

Inzage, afschrift of uittreksel van gegevens

Als wordt gekeken naar de inzagevorderingen die zijn ingediend op grond van artikel 195 of 195a Rv, dan springen een drietal uitspraken in het oog, omdat daarin aandacht is besteed aan de vraag of dergelijke inzagevorderingen ook mogen worden gedaan in een afzonderlijk kort geding, tijdens een lopende procedure. De rechtbank Amsterdam besteedde daar veel aandacht aan in haar uitspraak van 2 mei 2025.[11] Uiteindelijk komt zij tot de conclusie dat de wet op dit punt niet geheel duidelijk is, maar dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wet volgt dat een inzagevordering mogelijk is en blijft tijdens een al aanhangige bodemprocedure. Ook de rechtbank Rotterdam komt in haar vonnis van 27 oktober 2025 tot een gelijkluidende uitkomst.[12] Al moet gezegd worden dat dezelfde voorzieningenrechter ongeveer 2,5 week later, op 13 november 2025 ook een vonnis heeft gewezen, waarin uiteindelijk de inzagevordering wordt afgewezen, omdat die ook al in de hoofdzaak was ingesteld.[13] Daarbij speelde ogenschijnlijk de doelmatigheid en de efficiënte procesvoering een belangrijke rol.

De rechtbank Noord-Nederland diende zich in het kader van een inzagevordering uit te laten over de vraag of de eisende partij niet eerst buitengerechtelijk – op grond van artikel 194 Rv – had moeten verzoeken om bepaalde gegevens te verstrekken.[14] De rechtbank overwoog dat zowel artikel 194 Rv als artikel 195 Rv een zelfstandige grondslag oplevert en dat niet vereist is dat eerst wordt getracht via artikel 194 Rv tot inzage te komen. Ik kan mij evenwel voorstellen dat een en ander nadelige gevolgen kan hebben voor een eventuele proceskostenveroordeling. In de onderhavige zaak werd dat opgelost door te overwogen dat de proceskosten voor het incident dat was ingesteld bij de inleidende dagvaarding nihil waren voor de eisende partij, zodat daar geen nadelige gevolgen waren voor de gedaagde partij.

Bij toetsing van de inzagevorderingen wordt ogenschijnlijk veel waarde gehecht aan de eerdere jurisprudentie en eisen die op grond van artikel 843a Rv werden gehanteerd. Zelfs als dit niet strookt met de bedoeling van de wetgever, zoals te vinden in de memorie van toelichting.[15] In de memorie van toelichting is onder meer terug te lezen dat het bestaan van een rechtsbetrekking, in het kader van inzagevorderingen, ruim moet worden opgevat[16]:

“Gelet op het doel om opheldering van de feiten te verkrijgen en geschillen zo effectief mogelijk op te lossen, moet het begrip «partij bij een rechtsbetrekking» ruim worden opgevat.”

Dat deed de rechtbank Gelderland niet[17], zij oordeelde dat de eisende partij voorshands aannemelijk diende te maken dat er sprake was van een rechtsbetrekking. Het ging in die zaak om de vraag of de bestuurder vermogen uit de vennootschap had onttrokken en de rechtsbetrekking die mogelijk zou bestaan zou bestuurdersaansprakelijkheid zijn. Mijns inziens zou die rechtsbetrekking mogelijkerwijs pas kunnen blijken, op het moment dat de inzagevordering werd toegewezen. Wellicht dat de voorzieningenrechter hier vooral moeite had met de wijze waarop het verzoek werd geformuleerd[18], alleen dan zou de afwijzingsgrond als bedoeld in artikel 196 lid 2 sub a Rv (de informatie die wordt verlangd is niet voldoende bepaald) meer voor de hand hebben gelegen. Zeker als men bedenkt dat AG De Bock in haar conclusie van 3 oktober 2025 in een zaak waar artikel 843a Rv nog als grondslag diende al opmerkte dat het begrip rechtsbetrekking niet meer zo belangrijk is.[19]

Voorlopige bewijsverrichtingen en lopende procedures

Zoals hiervoor al is opgemerkt, is bij inzagevorderingen de vraag opgeworpen of die ook tijdens een reeds aanhangige procedure kunnen worden gedaan (in kort geding of anderszins). Die vraag is relevant, omdat artikel 196 lid 1 Rv bepaalt dat een voorlopige bewijsverrichting kan worden bevolen voordat de zaak aanhangig is gemaakt of voordat de zaak op de rol is ingeschreven. Een dergelijk verweer wordt in de sleutel van de goede procesorde geplaatst (dat is een afwijzingsgrond op basis van artikel 196 lid 2 sub c Rv), maar ook als afzonderlijk verweer. In een aantal zaken was het feit dat al een bodemprocedure aanhangig was/op de rol was afgewezen dan ook grond om het verzoek af te wijzen.[20] Tegelijkertijd zijn er ook rechters geweest die ondanks dat een bodemprocedure was ingeleid, toch een voorlopige bewijsverrichting hebben toegestaan.[21]

Opvallend is vooral het feit hoe verschillend de gerechten oordelen, want waar de rechtbank Amsterdam en de rechtbank Oost-Brabant verzoeken tot het gelasten van voorlopige bewijsverrichtingen toestaan als korte tijd later de hoofdzaak wordt ingeleid, doet de rechtbank Limburg dat niet.[22] De rechtbank Limburg verwijt dit dan aan “een gebrek aan doelmatig procesgedrag”. De rechtbank in Amsterdam overweegt wel dat dergelijk gedrag in strijd met de goede procesorde en de bedoeling van de wetgever kan zijn, maar is van oordeel dat er omstandigheden kunnen zijn (zoals in die zaak conservatoir beslag waardoor een eis in de hoofdzaak moest worden ingesteld) die dergelijke handelen rechtvaardigen. De rechtbank Oost-Brabant lijkt het in het geheel niet eens te zijn met die opvattingen en overweegt zelfs:

“Het verweer van [verweerster] dat sprake is van strijd met de goede procesorde omdat [verzoeker] het verzoek heeft ingediend enkele dagen voordat zij een hoofdzaak aanhangig maakte, vindt geen steun in het recht. Als een dergelijke uitleg van de wet zou worden gevolgd, zou iedere partij die liever geen voorlopige bewijsverrichtingen ziet, de toewijzing daarvan kunnen voorkomen door meteen na kennisname van het daartoe strekkende verzoek een dagvaarding over dezelfde kwestie uit te brengen: onder het nieuwe bewijsrecht is het immers niet langer mogelijk om tijdens een lopende hoofdzaak nog om voorlopige bewijsverrichtingen te vragen.”

In zoverre lijken de rechtbanken het niet helemaal eens te zijn over wat de bedoeling van de wetgever nu is. Dat blijkt ook uit de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland, want waar in de ene zaak de bedoeling van de wetgever wordt gebruikt om het verzoek af te wijzen[23], wordt in een andere zaak juist overwogen dat een voorlopige bewijsverrichting gewoon kan worden toegestaan, ook als korte tijd daarna een dagvaarding wordt uitgebracht.[24]

Kritiek op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 augustus 2025 is ook in de literatuur te vinden. Want de partij die in die procedure het verzoek deed, had nog geen hoofdprocedure ingeleid. De verzoekende partij overwoog om zich te voegen in een zaak die al aanhangig was, maar overwoog ook om mogelijkerwijs zelf een vordering in te stellen. Het is dus interessant om te zien hoe op dit vlak de ontwikkeling zal verlopen: worden rechters kritischer ten aanzien van dergelijke verzoeken, of zullen zij toch meer ruimte gaan bieden voor de voorlopige bewijsverrichtingen, om zo partijen de kans te geven na te gaan of een procedure zin heeft.

Afrondend

Het eerste jaar met de wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht laat zien dat er de nodige kanttekeningen zijn te plaatsen en dat de wetgever niet op alle punten even doordacht te werk is gegaan. Het is aan de rechters om daar de nuances in te vinden en om richting te geven voor de rechtspraktijk. Als betrokkene in een procedure is het daarom altijd aan te raden om tijdig advies in te winnen, om zo te komen tot een juiste strategie. Dat is waar LexQuire voor staat.

 

 

[1] Deze bijdrage is geschreven aan de hand van uitspraken die via die zoekterm zijn gevonden, niet valt uit te sluiten dat ook in andere gepubliceerde zaken het nieuwe bewijsrecht een rol speelt. Voor deze bijdrage is volledigheid niet nagestreefd. Beoogd is om in een vogelvlucht ontwikkelingen te laten zien.
[2] Zie bijvoorbeeld Rechtbank Overijssel, 2 juli 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:4388, Rechtbank Overijssel, 23 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5723, Rechtbank Den Haag, 10 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21844 (met de kanttekening dat de verzoekende partijen in persoon procedeerden. Ook in een zaak waar pas in 2026 vonnis is gewezen, speelde deze problematiek nog een rol: Rechtbank Limburg, 14 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:47, gemachtigde in deze zaak was een incassobureau.
[3] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4503, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5194, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6089, Gerechtshof Den Haag, 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2158, en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7072.  
[4] Kamerstukken II 2021-2022, 35 498, nr. 7, p. 3.
[5] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6089, maar bijvoorbeeld in gelijke zin ook Gerechtshof Den Haag, 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2158,
[6] Waarbij mr. J.H. Kuiper bij beide uitspraken betrokken was.
[7] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7072. 
[8] Conclusie AG De Bock, 12 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:996; de zaak is nu nog in behandeling bij de Hoge Raad: https://www.hogeraad.nl/actueel/lopende-zaken/?zoeken_term=25%2F02135&Sector=1&Instantie=&Soortzaak=&Status=
[9] Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 25 september 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2630.
[10] Rechtbank Midden-Nederland, 8 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5231.
[11] Rechtbank Amsterdam, 2 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2936
[12] Rechtbank Rotterdam, 27 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12633.
[13] Rechtbank Rotterdam, 13 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13378.
[14] Rechtbank Noord-Nederland, 3 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3716.
[15] Kamerstukken II, 2019/20, 35 498, nr. 3 (MvT)
[16] Kamerstukken II, 2019/20, 35 498, nr. 3 (MvT), pagina 47.
[17] Rechtbank Gelderland, 19 november 2025, ECLI:NL:RGBEL:2025:9902
[18] Die conclusie lijkt gerechtvaardigd op grond van de laatste twee zinnen van rechtsoverweging 4.8.
[19] Conclusie PG De Block, 3 oktober 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1073
[20] Rechtbank Den Haag, 14 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8451, Rechtbank Limburg, 3 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:8342, Rechtbank Noord-Nederland, 20 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3398, Rechtbank Limburg, 12 november 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:11071 en Gerechtshof Den Haag 12 december 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2741.
[21] Rechtbank Amsterdam, 4 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6730, Rechtbank Noord-Nederland, 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4376, en Rechtbank Oost-Brabant, 20 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7586.
[22] Rechtbank Amsterdam, 4 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6730,  en Rechtbank Oost-Brabant, 20 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7586 enerzijds en Rechtbank Limburg, 3 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:8342, en Rechtbank Limburg, 12 november 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:11071 anderzijds.
[23] Rechtbank Noord-Nederland, 20 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3398
[24] Rechtbank Noord-Nederland, 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:4376.

Beoordeel bericht
0 / 5

Your page rank:

Article Contact Form (Short Form)

Kunnen wij helpen?

Privacy *