Platformwerk is niet meer dan het aanbieden van een dienst door een groep arbeiders via eenzelfde medium. Bekende voorbeelden zijn Uber en Deliveroo. De meeste platformwerkers in Europa zijn formeel zelfstandig, maar er zijn ook platformwerkers die lijken op een werknemer in loondienst. In 2022 waren er ongeveer 28 miljoen platformwerkers in Europa. Verwacht wordt dat dit aantal in 2025 zal oplopen tot 43 miljoen. Het is erg handig om bijvoorbeeld een klusjesman te zoeken via een app. Echter roept deze manier van werken ook juridische vragen op. Juridisch medewerkster Larissa Heskamp schetst een duidelijk beeld rond platformwerk en het toepasselijk recht.
Schijnzelfstandigheid
Er wordt geschat dat zo’n 5 miljoen mensen die via een digitaal arbeidsplatform werken, verkeerd worden gekwalificeerd. Zij zijn als “zelfstandigen” werkzaam bij een platform, maar kunnen vaak geen afspraken maken over de hoogte van de beloning en staan vaak in een ondergeschikte positie ten opzichte van het platform. Deze omstandigheden lijken eerder op een werknemer in loondienst dan op een zelfstandige. Het probleem hierbij is dat wanneer een platformwerker ten onrechte als zelfstandige wordt aangemerkt, hij/zij geen aanspraak kan maken op sociale bescherming. Denk aan rechten zoals een minimumloon, arbeidstijdenregelingen, bescherming van veiligheid en gezondheid op de werkplek en betere toegang tot sociale bescherming bij arbeidsongevallen, werkloosheid, ziekte en ouderdom.
Schijnzelfstandigheid in Nederland
In Nederland is er recent aandacht besteed aan schijnzelfstandigheid bij platformwerkers. In het Deliveroo-arrest [1] stond de vraag centraal of Deliveroo bezorgers werkzaam zijn als werknemer of als zelfstandige. De Hoge Raad oordeelde dat Deliveroo bezorgers werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst, dit vanwege de gezagsverhouding tussen het digitale platform en de platformwerkers. De Hoge Raad gaf in dit arrest een aantal indicatoren die duiden op het bestaan op een arbeidsovereenkomst.
In het Uber-arrest [2] stond een soortgelijke vraag centraal. Hier ging het niet alleen om de vraag of de platformwerkers aan de hand van de indicatoren uit het Deliveroo-arrest gezien konden worden als werknemers, ook stond de vraag centraal of platformwerkers die werkzaam zijn voor hetzelfde platform, op een verschillende manier gekwalificeerd kunnen worden. Die vraag werd bevestigend beantwoord door
Advocaat-Generaal De Bock. Het is niet uitgesloten dat sommige platformwerkers, werkzaam bij hetzelfde platform, op basis van een arbeidsovereenkomst werken en anderen niet. Aan de hand van de indicatoren uit het Deliveroo-arrest kan het onderscheid gemaakt worden tussen platformwerkers (binnen hetzelfde platform) die werken als werknemers of als zelfstandigen.
De Hoge Raad heeft met het Deliveroo-arrest al een grote stap gezet om schijnzelfstandigen te onderscheiden van zelfstandigen. Doordat schijnzelfstandigen nu gekwalificeerd kunnen worden als werknemer en in dat geval werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst, kan deze groep aanspraak maken op sociale bescherming.
Richtlijn
In april 2024 is de richtlijn betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk door het Europese Parlement aangenomen. Het doel van de richtlijn is ervoor zorgen dat mensen die via een platform werken de correcte arbeidsstatus hebben of kunnen verkrijgen zodat zij toepasselijke arbeidsrechten en sociale bescherming kunnen genieten.
De lidstaten dienen in nationale rechtsregels op te nemen dat er een wettelijk vermoeden van een arbeidsverhouding bestaat wanneer er feiten worden vastgesteld die wijzen op zeggenschap en leiding. Voor het bestaan van zeggenschap of leiding zijn er vijf indicatoren in de richtlijn opgenomen:
1. Het niveau van de vergoeding wordt daadwerkelijk bepaald of er worden bovengrenzen vastgesteld;
2. De persoon die platformwerk verricht, wordt verplicht specifieke bindende regels in acht te nemen met betrekking tot het uiterlijk, het gedrag ten aanzien van de afnemer van de dienst of de uitvoering van het werk;
3. Er wordt toezicht gehouden op de uitvoering van het werk of de kwaliteit van de resultaten van het werk wordt geverifieerd, ook met behulp van elektronische middelen;
4. De vrijheid om het werk te organiseren wordt daadwerkelijk beperkt – onder meer door sanc-ties -, met name de vrijheid om zelf de arbeidstijd of perioden van afwezigheid te kiezen, om taken te aanvaarden of te weigeren of om gebruik te maken van onderaannemers of vervangers in te schakelen;
5.De mogelijkheid om een klantenbestand op te bouwen of werk voor derden uit te voeren, wordt daadwerkelijk beperkt.
Lidstaten kunnen hier zelf nog andere indicatoren aan toevoegen. Wanneer aan ten minste twee van de vijf indicatoren is voldaan, kunnen platformwerkers zich beroepen op het wettelijk vermoeden van het bestaan van een arbeidsverhouding. Platformwerkers kunnen dan aanvoeren dat zij verkeerd zijn gekwalificeerd. Het is dan aan het digitale platform om aan te tonen dat er geen sprake is van een arbeidsverhouding.
Conclusie
Het rechtsvermoeden dat er sprake is van een arbeidsverhouding, wanneer er aan twee van de vijf indicatoren uit de richtlijn is voldaan, maakt het voor schijnzelfstandigen eenvoudiger om zich als werknemer te kunnen kwalificeren. Het digitale platform moet immers aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsverhouding. Wanneer er een rechtsvermoeden bestaat dat er sprake is van een arbeidsverhouding en het digitale platform kan dit niet weerleggen dan kan dit gevolgen hebben voor de socialezekerheidsbijdragen, belastingverplichtingen of het al dan niet van toepassing zijn van een algemeen verbindend verklaarde cao. Voor digitale platforms is het dus verstandig inzichtelijk te maken of haar platformwerkers onder de richtlijn zullen worden aangemerkt als werknemer.
[1] Deliveroo-arrest
In het Deliveroo-arrest geeft de Hoge Raad een aantal gezichtspunten waaruit kan blijken dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst: “Van belang kunnen onder meer zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen.”
[2] Uber-arrest
In het Uber-arrest heeft het hof prejudiciële vragen gesteld. Naast de vraag of de arbeidsrelatie ten aanzien van precies hetzelfde werk bij dezelfde opdrachtgever/werkgever op verschillende manieren kan worden gekwalificeerd, stond de vraag centraal hoe er invulling gegeven kan worden aan het begrip ondernemerschap, het negende gezichtspunt in het Deliveroo-arrest. Advocaat-Generaal de Bock geeft aan dat de betekenis van dit gezichtspunt beperkt is. Als op grond van de eerdere gezichtspunten de werkrelatie als arbeidsovereenkomst dient te worden aangemerkt, wordt er niet meer toegekomen aan de toetsing van het gezichtspunt ondernemerschap. Dit gezichtspunt kan dan dus niet ‘de balans doen omslaan’. Hierover zijn prejudiciële vragen gesteld.
Inmiddels heeft de Hoge Raad deze prejudiciële vragen beantwoord. Daarbij heeft de Hoge Raad afstand genomen van de door A-G De Bock voorgestane benadering. Anders dan de A-G oordeelde de Hoge Raad dat tussen de negen in het Deliveroo-arrest geformuleerde gezichtspunten geen rangorde bestaat. Een belangrijke nuancering. Het gezichtspunt ondernemerschap heeft hierdoor geen aanvullende of ondergeschikte functie, maar dient als volwaardig alleenstaand onderdeel te worden beoordeeld. Dit houdt in dat het ondernemerschap van de werkende in bepaalde gevallen van doorslaggevende betekenis kan zijn voor de kwalificatie van een arbeidsrelatie.
Tevens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat niet is uitgesloten dat personen die hetzelfde werk verrichten voor dezelfde opdrachtgever, verschillend kunnen worden gekwalificeerd. Wanneer de ene werkende zich in het economisch verkeer duidelijk als ondernemer opstelt – bijvoorbeeld door meerdere opdrachtgevers te hebben en risico’s te lopen – terwijl een andere werkende dat niet doet, kan dit leiden tot verschillende juridische kwalificaties van een vergelijkbare arbeidsrelatie. Het Hof Amsterdam heeft deze lijn bevestigd in zijn uitspraak van 27 januari 2026, waarin werd benadrukt dat de beoordeling van de arbeidsrelatie in belangrijke mate afhankelijk is van de individuele omstandigheden van de betreffende werkende.


