Een vergunning aanvragen kost tijd – of het nu gaat om een bouwvergunning, horecavergunning of een vergunning om reclame te plaatsen. Voor bestuursorganen gelden vaak wettelijke termijnen om te reageren op vergunningsaanvragen en andere gevraagde besluiten.

Vergunning aanvragen en de termijn voor bestuursorganen

Medewerkers van bestuursorganen verrichten hun werkzaamheden veelal vanuit thuis als gevolg van de coronamaatregelen. Voorts kunnen enkele vergunningen, zoals vergunningen voor evenementen, door uitzonderlijke regels niet worden verleend. Daardoor hebben bestuursorganen te maken met een bijzondere situatie. Desondanks moeten zij binnen de wettelijke termijn reageren op vergunningsaanvragen van burgers. Althans – dat is in principe de regel. Kan hiervan afgeweken worden in deze vreemde tijden? En wat betekent een dergelijke afwijking voor de burgers die een vergunning aanvragen?

Hoofdregel beslistermijn bij vergunning aanvragen

Voor de hoofdregel moet gekeken worden naar de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze wet bepaalt dat een bestuursorgaan binnen een bepaalde termijn moet reageren op een vergunningsaanvraag. Deze termijn kan vastgelegd zijn in een wettelijk voorschrift. Is zo’n termijn niet vastgelegd, dan is deze in ieder geval verstreken als niet binnen acht weken na ontvangst van de vergunningsaanvraag is gereageerd. Als deze termijn is verstreken, dan kan degene die de vergunning heeft aangevraagd in beginsel in beroep gaan tegen het ‘niet tijdig nemen van het besluit’. De bestuursrechter oordeelt over dit beroep. Als deze het beroep gegrond verklaart, dan dient in beginsel alsnog binnen 2 weken na de dag van verzending van de uitspraak van de rechter een besluit bekendgemaakt te worden (art. 8:55d lid 1 Awb).

De situatie rondom het Coronavirus ten aanzien van vergunningsaanvragen

De Afdeling Advisering van de Raad van State heeft advies gegeven over de invoering van de Tijdelijke wet COVID-19. Daarin heeft zij het navolgende bepaald:

In de eerste plaats merkt de Afdeling op dat de crisis zoals die zich thans voordoet, meebrengt dat zich vaker dan normaal situaties zullen voordoen waarin sprake is van overmacht in de zin van artikel 4:15, tweede lid, onder c, Awb. Of er daadwerkelijk sprake is van overmacht, zal weliswaar van geval tot geval moeten worden beoordeeld, maar in het algemeen kan worden gesteld dat een crisissituatie als die thans aan de orde is, al snel zal leiden tot overmacht.[1]

De wet kent de mogelijkheid de beslistermijn op te schorten, zoals in het citaat hierboven vermeld. Dit is mogelijk voor zover er sprake is van overmacht waardoor het bestuursorgaan niet in staat is een besluit te nemen.

De bestuursrechter kan vervolgens (op grond van artikel 8:55d lid 3 Awb) een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Dit is slechts mogelijk indien sprake is van een bijzonder geval of wanneer naleving van de wet daartoe noopt.

Binnen de rechtspraak lijkt de lijn die door de Afdeling Advisering van de Raad van State wordt geschetst, te worden gevolgd. Hierbij lijkt met name de Rechtbank Zeeland-West Brabant een leidinggevende rol in te nemen. Zo heeft voornoemde rechtbank in een zaak bepaald dat “sprake van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid van de Awb”[2] is vanwege het coronavirus. Er werd dan ook een termijn van in totaal vier weken toegekend om het besluit bekend te maken, terwijl de termijn gewoonlijk twee weken bedraagt. In deze zaak werd tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op bezwaar geklaagd. De eiseres in deze zaak maakte bezwaar tegen de intrekking van haar bijstandsuitkering. Het beroep van de eiseres werd overigens gegrond verklaard.

Eenzelfde rechtbank heeft in andere zaken evenzeer, onder verwijzing naar de situatie omtrent het coronavirus, voornoemde termijn gehanteerd (Rb. Zeeland-West Brabant 10 juli 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3068 alsmede Rb. Zeeland-West Brabant 22 juli 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3311).

Hoofdregel in alle zaken is echter dat de geldende beslistermijnen van toepassing blijven. Zonder tussenkomst van een rechter geldt dus de wettelijke termijn. Rechters blijken echter rekening te houden met gevolgen van het coronavirus bij het bepalen van een nadere beslistermijn. De bijzondere omstandigheden rondom het coronavirus kunnen daardoor in langere beslistermijnen voor bestuursorganen resulteren.

Conclusie – niet altijd langere termijn bij vergunning aanvragen

In beginsel wordt door de rechtspraak aangenomen dat de huidige situatie rondom het coronavirus een bijzondere situatie oplevert. Rechters kunnen hierdoor langere beslistermijnen toekennen. Dit lijkt met name te gebeuren naar aanleiding van een gegrond beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit. Echter blijkt uit voornoemde rechtspraak dat de geldende termijnen niettemin in beginsel moeten worden nageleefd. Er worden niet beduidend langere beslistermijnen aan de betreffende bestuursorganen toegekend (in beginsel vier weken in plaats van normaliter twee weken om alsnog een besluit te nemen).

 

Door mr. L.M. (Luca) Bischof

 

[1] Kamerstukken II 2019/20, 35434, nr. 4.

[2] Rb. Zeeland-West Brabant 13 augustus 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3788.