Handlungsort en Erfolgsort bij zuivere vermogensschade: ‘schade‘ versus ‘schadebrengend feit‘.

Het is een discussie de literatuur en jurisprudentie in het internationaal privaatrecht al lang bezig houdt: ‘Handlungsort’ versus ‘Erfolgsort’ en de reikwijdte van deze beide begrippen. In deze bijdrage hoop ik een nieuw stukje toe te kunnen voegen aan deze discussie door de bespreking van een arrest van het Europese Hof van Justitie (hierna: ‘EHJ’) waar, naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Hoge Raad, antwoord gegeven wordt over de te gebruiken indicatoren bij het bepalen van Handlungs- en Erfolgsort bij zuivere vermogensschade.

Allereerst zal ik een korte schets van het arrest geven en vervolgens zal ik bespreken hoe dit arrest past in de bestaande lijn in de jurisprudentie. Daarna sluit ik af met een conclusie. Bij dit artikel dient er wel acht op geslagen te worden dat het arrest is gewezen met toepassing van de EEX-verordening van vóór de herschikking, waardoor de nummering van de artikelen ervan inmiddels is gewijzigd. Zo correspondeert het artikel 5, lid 3 waar naar verwezen wordt met artikel 7, lid 2 van de herschikte EEX-verordening.

Ik zal mij daarnaast in deze bijdrage beperken tot de impact van dit arrest op die situaties, waarin een vordering tot schadevergoeding voortvloeit uit een onrechtmatige daad. Dit aangezien tegenwoordig vrijwel alle contracten een forum- en rechtskeuzeclausule zullen bevatten die derogeert aan de bevoegdheidsregels van de EEX-verordening (artikel 25 EEX-verordening); in elk geval ten aanzien van de contractuele verhouding tussen partijen.

1) Het arrest ‘Universal Music v. Tétreault Schilling e.a.’
Universal Music International Holding B.V. (hierna: ‘UMI’), is een platenmaatschappij die deel uitmaakt van de Universal Music Group. In 1998 heeft zij met B&M spol s.r.o. uit Tsjechië (hierna: ‘B&M’) een aandelenoptieovereenkomst gesloten. In de Letter of Intent (LOI), die vooraf ging aan deze aandelenoptieovereenkomst, was bepaald dat de prijs van deze aandelen vijf maal de gemiddelde jaarwinst van B&M zou bedragen. In de aandelenoptieovereenkomst werd deze prijs echter gigantisch verhoogd (bijna honderdmaal zo veel), doordat een medewerker van het Tsjechische advocatenkantoor dat UMI bijstond een bepaalde tekstuele wijziging niet had doorgevoerd. In augustus 2003 heeft UMI de koopprijs voldaan, maar dit was de beoogde koopprijs uit de LOI.

Hierop spraken de aandeelhouders UMI aan en zij eisten de hogere prijs uit hoofde van de aandelenoptieovereenkomst. Dit geschil is vervolgens voorgelegd aan een arbitragecommissie en de zaak is daarna geschikt. Door UMI is het schikkingsbedrag voldaan vanaf een bankrekening in Nederland. Het uiteindelijk betaalde schikkingsbedrag was hoger dan de originele aandelenprijs uit de LOI die UMI had beoogd en die zij had betaald als haar advocaat geen fout had gemaakt.

Hierop vordert UMI dan ook primair in een procedure schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), bestaande uit onder meer de gemaakte kosten voor het arbitrageproces.

UMI legde deze vordering voor aan de Nederlandse rechter. Zij diende dan ook te betogen dat er een internationale rechtsgrondslag was voor de bevoegdheid van deze. Zij deed dit op basis van artikel 6, aanhef en onder e Rv en artikel 5, lid 3 EEX-verordening. De schade zou immers ingetreden zijn in de vestigingsplaats van UMI (Baarn), aangezien de kosten van het arbitrageproces uit het daar gelokaliseerde vermogen van UMI waren voldaan. Naar de mening van UMI was dit daarmee een aanknopingspunt bij het bepalen van de competentie van de rechter.

Rechtbank en hof wezen de vordering af, waarna de Hoge Raad prejudiciële vragen stelt aan het EHJ. De centrale voorgelegde prejudiciële vraag hierbij is, in de woorden van A-G Szpunar:

“Of vermogensschade die is geleden in een lidstaat als gevolg van een onrechtmatige gedraging in een andere lidstaat op zichzelf een grond kan zijn voor rechterlijke bevoegdheid krachtens artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.”

Het EHJ oordeelt daarop dat artikel 5, lid 3 EEX-verordening aldus moet worden uitgelegd dat:

“als plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan niet kan worden aangemerkt, bij gebreke van andere aanknopingspunten, de plaats in een lidstaat waar de schade is ingetreden wanneer die schade uitsluitend bestaat in een financieel verlies dat rechtstreeks intreedt op de bankrekening van de verzoeker en het rechtstreekse gevolg is van een onrechtmatige gedraging die zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat.”

Met andere woorden: alleen het lijden van zuivere vermogensschade sec op een bepaalde plaats, kan zelfstandig geen aanknopingspunt vormen in de toepassing van artikel 5, lid 3 EEX-verordening. Het enkel lijden van een vermogensverlies, geeft daarmee geen zelfstandige grond voor het aannemen van rechtsmacht. De Nederlandse rechter is daarom in casu niet bevoegd.

2) Bestaande lijn in de jurisprudentie
Al sinds 1976 staat vast dat bij een schadegeval uit onrechtmatige daad de rechter van zowel de plaats van de schadebrengende handeling (Handlungsort) als de rechter van de plaats van de gevolgschade (Erfolgsort) bevoegd is om te oordelen over vorderingen naar aanleiding van die onrechtmatige daad. Daarbij dient er op gelet te worden dat een onrechtmatige daad daarbij uitgelegd moet worden als een handeling enkel op basis van een non-contractuele band. Ook dient enkel acht geslagen te worden op de initiële schade en moet een onrechtmatige daad eng worden uitgelegd.

2.1 De casuïstische benadering
Telkens wordt voor de bepaling van Handlungs- en Erfolgsort op casuïstische basis een aantal indicatoren gebruikt en de jurisprudentie is dan ook sterk met de feiten en omstandigheden van het geval verweven.

Het hoofdargument van UMI was in deze zaak dat zij initiële vermogensschade heeft geleden op grond van het feit dat zij het schikkingsbedrag heeft voldaan ten laste van haar in Nederland gelokaliseerde vermogen.

Echter, al eerder is in het arrest Marinari door het EHJ bepaald dat de plaats waar het slachtoffer stelt vermogensschade te hebben geleden als gevolg van een in een andere lidstaat ingetreden initiële schade niet kan worden aangemerkt als de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Deze vermogensschade is dus geen schade die maakt dat de plaats waar deze wordt geleden een Erfolgsort is.

In dit arrest werd echter niet bepaald welke maatstaf gehanteerd dient te worden bij de beapling van het Erfolgsort indien de vermogensschade de (beweerdelijke) initiële schade is of wanneer deze voortvloeit uit een andere vermogensschade.

In de literatuur bestond tot aan het arrest van het HvJ dan ook nog geen overeenstemming over de vraag of het Erfolgsort ziet op alle vormen van initiële schade (ruime uitleg), inclusief zuivere vermogensschade, of enkel op fysieke schade (enge uitleg).

Deze vraag lijkt nu beantwoord met het in deze bijdrage besproken arrest: de plaats waar enkel een bankrekening aangehouden wordt, kan niet gelden als Erfolgsort in het geval van zuivere vermogensschade; zowel bij afgeleide als directe vermogensschade. Deze redenering is ook logisch, zoals ik hierna uiteen zal zetten.

2.2 ‘Schade’ en ‘Schadebrengend feit’
Artikel 5 van de EEX-verordening spreekt over ‘schadebrengend feit’, niet over ‘schade’. Hiermee wordt de nadruk gelegd op het feitelijke gebeuren dat geleid heeft tot de schade, niet op de schade zelf. Hierin schuilt ook het verschil van het onderhavige arrest met het hiervoor aangehaalde arrest Marinari. In die zaak was er ook schade van een daadwerkelijk schadebrengend feit binnen de jurisdictie van de aangezochte rechter en niet, zoals in onderhavig geval, enkel een betaling.

Hiermee lijkt het EHJ de redenering te volgen dat de betaling van de schadevergoeding een gevolg is van een eerder schadebrengend feit, niet een schadebrengend feit an sich. Het verklaren voor recht dat ook de plaats van waaruit de betaling wordt verricht naar aanleiding van het schadebrengend handelen een Erfolgsort is, zou namelijk een enorme verruiming van het begrip Erfolgsort inhouden. Indien een partij immers tot het voldoen van schadevergoeding wordt veroordeeld, vindt vrijwel altijd compensatie van de schade in de vorm van geld plaats en vrijwel altijd vindt de betaling hiervan plaats per bank.

Een uitleg waarbij de plaats van betaling van de compensatie als Erfolgsort kan gelden, verdraagt zich dan ook niet met het feit dat artikel 5 EEX-verordening een uitzondering vormt op de hoofdregel van artikel 2 (vergelijk artikel 5, lid 1 EEX-nieuw). Uit vaste rechtspraak van het EHJ volgt immers dat de artikelen die afwijken van het beginsel van artikel 2 (artikel 5 van de herschikte EEX-verordening) restrictief moeten worden uitgelegd.

2.3 Lijn in de voorgaande jurisprudentie
Daarnaast past deze uitspraak ook in de lijn van de jurisprudentie waarbinnen verklaard werd dat de ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ van artikel 5, lid 3 EEX-verordening niet omvat de plaats waar de verzoeker woont, als plaats waar zich het centrum van diens vermogen bevindt. Zoals de A-G in zijn conclusie bij het arrest ook vaststelt, zou een regel waarbij het intreden van de schade als indicator van een Handlungs- of Erfolgsort echter juist weer niet inpasbaar zijn binnen de lijn in de jurisprudentie die is ingezet met het arrest Kolassa.

In het arrest Kolassa was sprake van schade door schending van een informatieplicht door de bank, omdat een prospectus onjuist was. Het prospectus was echter in hetzelfde staat uitgegeven als die waarin Kolassa zijn schade ondervond (Oostenrijk). Met andere woorden: in dit geval viel de plaats van de schade samen met die van het schadebrengende feit.

Om evenwel aan te tonen dat Kolassa buiten de vaste lijn van jurisprudentie valt, wijst de A-G hierbij op de ‘bijzondere aard’ van de omstandigheden.

Dit is mijns inziens onterecht. Uit vaste rechtspraak van het EHJ volgt immers dat de rationale voor de toepassing van artikel 5, lid 3 EEX is dat er een bijzonder nauw verband bestaat tussen de vordering en de rechterlijke instantie van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.

In een situatie waarin de vermogensschade zelf namelijk samenvalt met de plaats van het schadebrengend feit, is de rechter van die staat bevoegd, maar dan op grond van het feit dat hier het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. De schade an sich leidt immers niet tot rechtsmacht voor de rechter van die staat, aldus het EHJ.

De situatie in het arrest Kolassa contrasteert naar mijn mening dan ook met de situatie waarin de plaats van de schade niet samenvalt met de plaats van het schadebrengende feit, zoals het geval was in de onderhavige zaak en het arrest Kronhofer. In deze zaken werd namelijk geen bevoegdheid van de rechter van de plaats waar de schade zich voordeed, aangenomen. Dit geldt enerzijds voor initiële vermogensschade, zoals in het onderhavige arrest maar anderzijds ook voor vermogensschade die is afgeleid van andere vermogensschade.

Daarmee is er in het arrest Kolassa geen sprake van bijzondere omstandigheden, maar geheel andere. Hier vallen schade en schadebrengend feit namelijk samen, in tegenstelling tot de situatie in het onderhavige arrest.

De plaats waar de vermogensschade intreedt op zichzelf is bij het bepalen van de rechtsmacht geen criterium. Enkel de plaats waar het schadebrengende feit – of de fysieke gevolgschade – zich voordoet, levert mijns inziens een aanknopingspunt op voor het aannemen van die rechtsmacht.

Dit standpunt past ook weer bij de uitzonderingsgevallen, namelijk die waarin niet één enkele plaats aan te wijzen is waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Het criterium – het schadebrengende feit – blijft immers dan hetzelfde.

2.4 Keuzevrijheid van de eiser
Indien voor een andere benadering worden gekozen, wordt de bijzondere aard van de bevoegdheidsregel van artikel 5, lid 3 EEX uit het oog verloren. Het aanhouden van een bankrekening en het betalen daarvandaan in een staat zou al voldoende zou kunnen zijn om de rechter van die staat bevoegd te maken. In een tijd van internationaal betalingsverkeer, zou zulks betekenen dat als het ware bevoegdheid gecreëerd kan worden door de eiser, door eenvoudigweg vanuit een bepaalde staat compensatie te betalen.

Het doel van de bijzondere bevoegdheidsbepaling van artikel 5, lid 3 EEX is om bevoegdheid te kunnen leggen bij het gerecht dat objectief gezien het best in staat is om te beoordelen of de verwerende partij aansprakelijk kan worden gesteld. Er dient dus gekeken te worden naar welke rechter het beste de aansprakelijkheid vast kan stellen; niet per se de schade.

Ik ben daarom van mening dat het onderhavige arrest aldus moet worden geïnterpreteerd dat bij situaties waarin de vermogensschade, die ontstaat als gevolg van een handeling van eiser (een betaling), in een andere staat geleden wordt dan die waarin het schadebrengende feit zich voordoet, dit niet kan leiden tot rechtsmacht. Er dient derhalve bij het vaststellen van Handlungs- en Erfolgsort enkel te worden gekeken naar het ‘schadebrengende feit’, niet de schade in de vorm van een betaling zelf.

Deze regel lijkt alleen uitzondering te leiden in de zeldzame gevallen waarin niet vastgesteld kan worden waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, of waar dit op zeer veel plaatsen tegelijk gebeurt, zoals bij mededingingszaken. Hierbij blijft echter ook voorop staan dat het moet gaan om een plaats waar een feit of gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Met andere woorden: het toetsingscriterium verandert niet, maar blijft het ‘schadebrengend feit’, niet de ‘schade’.

Deze regel houdt daarmee ook stand in de klassieke gevallen van een skiër die zijn been breekt in Frankrijk en zich laat medisch behandelen in Italië. Ook dan is Italië het Erfolgsort, aangezien daar de geneeskundige behandeling (een feit) plaatsvindt. Vanuit welk land de skiër de ziekenhuisrekening dan betaalt, doet er niet toe bij het bepalen van het ‘Erfolgsort’.

3) Conclusie
Het arrest van 16 juni 2016 van het Europese Hof van Justitie vormt mijns inziens een sluitstuk in het vraagstuk van internationale rechtsmacht in gevallen van zuivere vermogensschade.

Op grond van de jurisprudentie tot nog toe, kan aangenomen worden dat het enkele lijden van vermogensschade (door betaling vanaf een bankrekening) geen grond voor rechtsmacht op kan leveren. Dit zou in een tijd van internationaal bankieren immers rechtsmacht in de gehele EU op kunnen leveren, zelfs al naar gelang de keuze van eiser.

Dit sluit ook aan bij de jurisprudentie op dit gebied. In de gevallen waar de vermogensschade (initieel of afgeleid) samenviel met het schadebrengende feit, werd rechtsmacht aangenomen. Waar dit niet het geval was, kon de schade geen indicator zijn bij het bepalen dat de plaats waar deze werd geleden een Handlungs- of Erfolgsort was.

Er dient daarom, met het EHJ, scherp onderscheid te worden gemaakt tussen de schade en het schadebrengende feit. Enkel dit laatste, hetgeen niet ter keuze staat aan de eiser, is een aanknopingspunt bij het bepalen van de internationale rechtsmacht van een rechter bij zaken met vermogensschade op grond van onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, lid 3 EEX-verordening (en daarmee artikel 7, lid 2 herschikte EEX-verordening).

Mijns inziens kan het onderhavige arrest daarmee geïnterpreteerd worden in die zin dat bij geleden directe of indirecte vermogensschade enkel de plaats waar het schadebrengend feit zich voordoet gelden als het Handlungs- of Erfolgsort. Daarmee geldt de ‘enge’ benadering van het begrip Erfolgsort. Aan de plaats waar de uiteindelijke schade in financiële zin wordt geleden door een betaling, komt daarbij in zijn geheel geen betekenis toe.

Indien u vragen heeft over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Gabriel Spera, spera@lexquire.nl.