Over de zorgplicht van de bank in het kader van haar advisering wordt regelmatig gestreden. De vraag wordt dan vaak gesteld of de bank bij haar advisering – tot bijvoorbeeld het aangaan van een financiering – in voldoende mate rekening heeft gehouden met de wensen en belangen van haar cliënt en of zij deze voldoende over het geadviseerde product heeft geïnformeerd. Wanneer achteraf moet worden geoordeeld dat dit niet het geval is, kan de cliënt zich dan beroepen op dwaling, met als gevolg dat de overeenkomst kan worden vernietigd? Deze vragen lagen ook weer voor in een uitspraak van het Hof Amsterdam van 12 december 2017, welke op 29 januari 2018 werd gepubliceerd.

De rechter oordeelde dat cliënt op de hoogte was van de relevante voorwaarden van het hem verstrekte krediet: welke bedragen hij leende, welke rente hij moest betalen en wanneer hij het krediet zou moeten terugbetalen. Met cliënt waren de verschillende kredietvormen besproken. Toen hij vervolgens koos voor een kredietvorm met een beleggingsverzekering was hij ook op de hoogte van de verschuldigde premie. Hij wist aldus wat de kosten van de gekozen constructie zouden zijn. Op de geldverstrekker rustte niet de verplichting om uit eigener beweging haar cliënt voor te rekenen of een andere wijze van financiering goedkoper zou zijn. Zij diende haar cliënt adequaat voor te lichten over de kenmerken van het aangeboden product en voor zover zij dat product aan haar cliënt heeft aanbevolen en adviseerde, te onderzoeken of dat voor hem geschikt was. Op de geldverstrekker rustte geen bijzondere zorgplicht welke ertoe leidde dat zij haar cliënt de beleggingsverzekering diende te ontraden.

In deze zaak liep het overigens met cliënt toch nog niet zo slecht af. De beleggingsverzekeringen waren bedoeld om daarmee enkele lening delen af te lossen. De uitkeringen bleken echter daartoe onvoldoende zijn. De adviseur had destijds in de overeenkomst echter de zinsneden opgenomen: “…en met welke uitkeringen deze kredietverstrekking wordt afgelost”. Tijdens het getuigenverhoor verklaarde de adviseur daarmee niet te hebben bedoeld een garantie af te geven, daarvoor was dit immers niet het geschikte product. Zowel de Rechtbank als het Hof oordeelde echter dat cliënt de gehanteerde tekst wel als zodanig heeft mogen interpreteren. Het verschil tussen de uitkering en de restantschuld kwam daarmee dan ook voor rekening van de geldverstrekker.

Voor meer informatie over de zorgplicht van banken kunt u contact opnemen met Spera@lexquire.nl